Lieve mam,
Toen je mijn verwekker Bert ontmoette, aan het vennetje bij Vliegveld Hilversum was je pas zestien. 1955 met je broertje van acht achterop de fiets. Een heel eind van Utrecht Noord naar Hilversum. Andere tijden.
Een stoer meisje zie ik dan voor me met een af en toe jengelend jochie achterop dat alleen stil te krijgen is met de belofte dat hij straks ‘vliegtuigen mag kijken’. Je trof daar een jonge kerel die je aansprak met iets onbenulligs als: ‘Zo, zo, met je kleine broertje op stap?’. Een knappe jongen in uniform die voor eigen rekening zweefvlieglessen volgde. Bert wist hoe hij met zijn donkere krullen en vlotte babbel een jong meisje voor zich moest innemen.
Geen verweer
Het vennetje bestaat nog, al staat er een hek omheen. Bij de geschiedenis van vliegveld Hilversum staat te lezen dat het in 1944 gegraven is om het vliegveld geschikt te maken voor militaire toestellen met het vrijkomende zand. Jij was er toen al. De oorlog werd jouw oorlog waar je later met heimwee op terugkeek, zo leek het. Een bange tijd, net als je huwelijk, maar toen werd je tenminste nog beschermd door je ouders. Later beschermde niemand je meer en jezelf verweren kon je niet. Niet tegen Bert, niet tegen je echtgenoot en niet tegen je dochters.
Goedgelovig
Je zus noemde je ‘goedgelovig en naïef’. Behalve dat je mij had, en niet wist waarheen met ons, zal dat meegespeeld hebben bij je ‘keuze’ om met Theo te gaan trouwen, ondanks waarschuwingen van je zus en Theo’s schoonzus. Clara zou eens door hem aangerand zijn en Theo’s schoonzus moet je gewaarschuwd hebben voor zijn losse handjes.
Geen moreel besef
Bert had zijn moreel besef in het Jappenkamp achtergelaten en had qua levenservaring een enorme voorsprong op jou. Blijkbaar kon hij met je doen wat hij wilde, bijvoorbeeld je jarenlang als bijwagen aan het lijntje houden. Je hebt eens verteld dat je bij Berts ouderlijk huis hebt postgevat om hem op te wachten. Ik weet niet of je hem daar ooit gezien of gesproken hebt. Wat ik wel weet, is hoe hij je opzocht toen je als tweeëntwintigjarige onderwijzeres op kamers woonde in Gouda en als invalkracht werkte op een basisschool in Moerkapelle. Bert zou dan bij het afscheid tegen je gezegd hebben: ‘Zul je braaf zijn’, waarmee hij waarschijnlijk bedoelde: ‘Zul je me niet ontrouw zijn en wachten tot ik weer kom?’ En je deed het ook nog. Ik ken een vage foto met jou en een lange, slanke jongen erop: Henk Hagebeuk, wiens achternaam heel creatief werd verbasterd. Je beweerde dat je nooit iets met hem hebt gehad.
Ongelukkig getrouwd
Bert was intussen ongelukkig getrouwd en jij bleef op hem wachten. Er kwam een kind en hij zocht je op: In Gouda en later bij je ouders; er kwam een tweede kind en Bert stond onderaan de trap en toen zijn vrouw op komst liep van de derde, verwekte hij mij. Goede kans dat je je kans schoon zag en hem ‘flikte’ en iets hebt gedacht als: ‘Als ik hem een kind aannaai, gaat hij misschien wel bij zijn vrouw weg’. Zo naïef was je wel, maar Bert niet. Hij vermoedde zelfs eerder dan jij dat je zwanger was. Hij zou je eind 1961 gevraagd hebben: ‘Ben je nog ongesteld geworden?’ Niet dus. Zo kwam ik in de zomer van 1962.
Verborgen gehouden
Je had je zwangerschap zes maanden lang verborgen kunnen houden, maar nadat je je zus Clara in vertrouwen had genomen, moest je het ouderlijk huis uit en bracht Bert je onder bij een vriend in Amsterdam: Arthur Nikkesen in Amsterdam, naar wie ik vernoemd ben
Onze Lieve Vrouwe Gasthuis
Ik kwam veel te vroeg, maar jij was blij dat je van je zwangerschap af was. Ik ken het verhaal dat je op de achterbank van een auto, met gebroken vliezen heel Amsterdam bent doorgeleurd: van ziekenhuis naar ziekenhuis, omdat niemand je als onverzekerde wilde helpen, tot je bij de zusters terechtkwam van het ‘Onze Lieve Vrouwe Gasthuis’. Je troostte je met de gedachte dat mijn vroeggeboorte de schuld was van je vader die je uit huis had gezet, de man die je na zijn dood op handen droeg.
De vroeggeboorte zorgde ervoor dat ik laat ging zitten en lopen en het is me tot de dag van vandaag aan te zien. Je zus Clara schrijft er iets over: ‘Als kleine baby heb ik je veel in mijn armen gekoesterd, gaf je flesjes, schone luiers, toen Corry en Theo met mijn ouders op stap waren. Je was toen een paar dagen bij Loes (jongste zus van Corry) en mij. Je kon niet zitten en we zetten kussens in je rugje, in de kinderwagen thuis, daar sliep je in, dan kon je rechtop zitten en om je heen kijken. Dan gingen we met je wandelen naar het Julianapark. Je was ons broertje en we hielden van je. Zongen liedjes voor je om je in slaap te brengen en hebben je veel geknuffeld en met je gespeeld. Je was een schatje toen. We waren wel ongerust, omdat je niet zelfstandig kon zitten en vroegen ons af wat er mis was.
Schuldgevoel
Het bezorgde jou een levenslang schuldgevoel, waardoor ik aandacht kreeg die ten koste ging van de drie jongere kinderen die je met Theo kreeg. Twee van de drie dragen mij dat na, één van de drie vooral ook jou. Zo is het tot je dood gebleven. Verwijten kan niemand je meer maken, mij des te meer. Mijn antwoord is: hen alle drie los te laten.
Tot later mam,
Tuur
PS: een paar maanden voor je overleed, misschien een half jaar belde je verdrietig op om te zeggen dat het je speet dat je zo weinig bij me was geweest. Je voelde je schuldig om niets, zoals meestal. Ik antwoordde: ‘Geeft niet mam, ik kom toch naar jou?’ Ik begreep niet wat je echt wilde zeggen, namelijk iets als: ‘Ik kan niet meer naar je toekomen; ik kan het niet meer goed maken, want mijn tijd is bijna op.’ Je wist het zo goed en ik begreep je niet. En nu is het te laat. Waarom kende ik je zo slecht? Had ik me te weinig in je verdiept? Theo kende ik beter. Waarom praatte je niet over je pijn en verborg je je angst, net als Carine doet? Zelfs op je sterfbed heb ik je niets gevraagd, hebben we het over anderen gehad. Over Janie Vermulm, boerendochter uit Moerkapelle die als kind de nabijheid van haar onderwijzeres zocht en voor de miljoenste keer over je vader. Maar niet over jou; niet over ons. En terwijl ik dit zit te typen, zie ik je lachende, ogenschijnlijk onbezorgde gezicht op mijn bureaublad staan. Je was 79. De zomer waarin Bert stierf. De foto is twee weken na zijn dood genomen. Misschien miste je hem, maar je hebt er zelden iets over gezegd.