Telefoongesprekken (korte brief)

Lieve mam,

Na drie maanden heb ik geen idee meer wat de toon was van onze telefoongesprekken. De laatste maanden voor je dood belde je niet meer, of huilend, en ik belde jou ook nauwelijks. Ik begrijp nu niet meer waarom. Bang voor de confrontatie met jouw levensverdriet en doodsangst waarschijnlijk.

We belden elkaar sowieso steeds minder de laatste jaren. Voor zover dat van mij uitging, komt dat volgens mij, omdat je manipulantendochter altijd stilzwijgend op de achtergrond aanwezig was. Zelfs daar nam ze mijn ruimte in. En misschien belde jij mij ook wel minder, omdat ze vijf of zes dagen bij je op de bank zat en je in je eigen huis niet meer vrij was.

Alomtegenwoordig
De alomtegenwoordigheid van je dochter zorgde er in elk geval voor dat ik minder graag bij je kwam. Ik probeerde het vaker ’s middags na het boodschappen doen. Dan was de kans het grootst dat ze uit werken was. Achteraf bezien onbegrijpelijk dat ik haar overheersende aanwezigheid niet veel vaker op scherp heb gezet. Dat deed ik pas in het laatste jaar van je leven, toen ze zelfs tegen me weigerde te praten. Ik bleef weg op het moment dat ik dat nooit had moeten doen. Ten koste van jou.

Telefoongesprek
Het laatste ‘normale’ telefoongesprek kan wel van een half jaar geleden zijn. Ik weet nu al niet meer hoe ze gingen. Ik opende waarschijnlijk met: ‘Dag mam’ en jij met: ‘Met ma’. Waar we zoal over praatten, weet ik niet meer. Ik belde meestal, omdat ik je graag een belevenisje wilde vertellen. Jij was niet zo spraakzaam en luisterde, of je maakte je ergens zorgen over, maar zelden over jezelf. Over de aanloop naar je ziekte praatte je nooit door de telefoon. Als je al iets zei over je verzakte baarmoeder of een slechtzittende ring, dan was dat als ik bij je op bezoek was. Eén van de laatste keren zal zijn geweest dat ik met mijn hand in een glas was gevallen, maar misschien was je toen al te ziek. Ik weet het niet meer. Ik heb er nooit aan gedacht een telefoongesprek op te nemen en nu weet ik niet eens meer hoe je telefoonstem klonk. Mijn enige houvast zijn de filmpjes die ik van je heb. Nu ik dit zo schrijf, realiseer ik me dat je me langzaam ontglipt. En je bent pas drieënhalve maand dood.

Ook je profielfoto’s op de computers voelen op afstand. Ik zie ze en denk: ‘Was jij dit?’ Het enige dat je bij me houdt, is het schrijven van deze brieven.

Tot later,

Tuur

Eerder heb ik geschreven dat je manipulantendochter, Carine voorkwam dat je vereenzaamde. Denk ik er dieper over na, dan zorgde ze er ook voor dat je andere kinderen wegbleven. Hield dat elkaar in evenwicht? Omdat ik geen contact meer heb met de twee autisten uit het gezin, zal dat lastig na te gaan zijn. Een kleinkind inschakelen als intermediair lijkt me de enige weg. Een simpele vraag aan mijn jongste halfbroer kan uitsluitsel geven: ‘Bleef jij bij ma weg als Carine er zat?’ Dat ga ik doen. Van Charléne ken ik het antwoord al: de twee volle zussen konden elkaar niet luchten of zien. Mijn finale vraag is: ‘Heeft Carine jou meer kwaad dan goed gedaan, mam?’ Jou kan ik het niet meer vragen.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *