Aanvaarding (brief aan mijn moeder)

Lieve mam,

Vandaag zou de eerste dag kunnen zijn van aanvaarding van je dood. Ik moet al moeite doen om de herinneringen uit de hospice op te halen, behalve van hoe je daar in het grote bed lag met hek eromheen als een klein, neergestort vogeltje dat niet meer aan zijn lot kon ontsnappen.

Dat beeld staat op mijn netvlies gebrand, maar ik hoef er nu niet om te huilen. Van de rest ben ik blij dat ik het heb opgeschreven, anders zou ik het vergeten.

Profielfoto
Ook voor het eerst, lijkt de profielfoto die voorbijkomt als ik de computer opstart niet van jou. Ik weet dat hij door je kleinkind gemaakt is, maar hij zegt me nu weinig, of preciezer: ik heb er weinig gevoel bij. Zelfbescherming misschien? Bescherming tegen de zoveelste keer vergeefse tranen? Nu ik deze laatste regels opschrijf, branden de tranen me toch weer achter de ogen.

Ouwe Dick
Ik ga maar even naar mijn oude, dementerende vriend Dick in Baarn. Altijd spannend of zijn naambordje nog op de deur zit. Ik had je graag zo’n lieve man gegund. Ik vertelde je grif als ik bij hem was geweest en je luisterde.

Het gevoel van zinloosheid van alles verandert niet; dat blijft hetzelfde. Iets anders dan aan jou denken en met jou bezig zijn, lukt niet. Waarschijnlijk verwar ik aanvaarding met doffe berusting.

Tot later mam,

Tuur

PS: Ik moet me proberen vast te klampen aan de goede herinneringen: dat ik op zondagavond een borrel en een biertje bij je dronk en we vaak praatten over Bert en je ouders; we elkaar een geforceerde knuffel gaven aan de voordeur, terwijl ik al op de fiets zat en je altijd vroeg: ‘Bel je nog even als je weer thuis bent?’ En nu moet ik toch weer huilen, omdat je dat nooit meer zult doen of me achterna fietsen om te kijken of ik wel was aangekomen of omdat ik iets vergeten was. De herinneringen aan Theo met wie ik tot vorig jaar veel fietste en die onderweg zo goed op me paste, alsof jij over zijn schouder meekeek. Of mijn herinneringen aan Bert die vertroebeld zijn door zijn moeizame sterven. Allemaal weg, alleen nog belangrijk voor mij, sinds jij er niet meer bent. Wat blijft, is dat ik steevast moet huilen als ik je zie liggen in het grote hospice-bed met hek eromheen, zo kwetsbaar met bijna doorschijnend haar, zo klein en leeggevreten door de kanker, terwijl je je altijd zorgvuldig opmaakte en je lippen stiftte. Zo bleek en grijs met kleurloze lippen en gesloten ogen. Zoals je niet wilde zijn en nooit wilde worden en waarvoor je bang was: oud en hulpeloos met een luierbroekje aan: een klein, oud uit het nest gevallen vogeltje was je geworden met zijn koppie opzij, waar ik mijn moeder nauwelijks meer in herkende.