Lieve mam,
Lag te piekeren over hoe ik me heb opgesteld in het jaar voor je dood. Heb er in eerdere brieven al over geschreven, maar voel alsnog de behoefte om het precies te formuleren en recapituleren in de tijd. Ik wil niets recht praten wat krom is of mezelf rechtvaardigen. Ik wil alleen niet vergeten wat ik heb gedaan en waarom.
Al direct na je baarmoederoperatie heb ik me voorgenomen om je aan je drie andere kinderen over te laten als je crematie aan de orde zou zijn. In juli vorig jaar schreef ik daarom al mijn afscheidsspeech voor je crematie. Ik twijfelde er zelfs over of k wel zou gaan, maar voor je zus Clara wilde ik er zeker zijn. Des te onbegrijpelijker is het dat ik in de laatste maanden van je leven volledig heb gemist hoe slecht je er aan toe was.
Volharden in stilzwijgen
Jou overlaten aan de drie kinderen van Theo en jou, heb ik alleen ruim tweeënhalve maand eerder gedaan dan ik van plan was, namelijk kort na de uitnodiging voor mijn boekpresentatie begin april. Waar ik verzoenend wilde zijn naar Carine, reageerde ze opnieuw afwijzend, waar ze eerder al had geweigerd tegen me te praten vanwege, een in mijn ogen, onbenullig akkefietje over haar hond. Haar reactie op de uitnodiging deed voor mij de deur dicht, temeer ik haar gewaarschuwd had dat ik bij je weg zou blijven als ze zou volharden in stilzwijgen. Zelfs jou viel het op en je zei dat je het niet wilde hebben in jou huis. De gewapende vrede leek getekend; tot de uitnodiging. Carine bleef boos.
Huilend in je tuintje
Mam, ik was jouw kinderen: manipulant Carine, Robert die, zonder gewetensnood dief bleek van mijn kindsdeel en Charléne die me zonder scrupules had verlinkt bij mijn dementerende verwekker, zo zat dat ik bereid was jou eronder te laten lijden. Een verrader, een dief en een rasmanipulant: ik kon op het slechtste moment niet meer tegen hen op en koos voor mezelf, ten koste van jou. En ik ging de bikkelharde weg. Ik geloof dat ik je nog één keer heb gezien na mijn boekpresentatie, een maand voor je dood. Je zat huilend in je tuintje en refereerde eraan dat je vader je als elfjarige ‘een stumperdje’ had genoemd. Ik wist niet hoe je te troosten en besefte niet dat je huilde uit angst voor de dood. Daarna, heb ik voor de vorm nog een keer gebeld met de vraag of ik kon langskomen en was blij dat je zei dat het niet uitkwam. Van Carine begrijp ik nu dat je afwijzend was, omdat je geen controle meer had over je ontlasting, het zelf niet meer rook en jezelf niet meer schoon kon houden.
Afwijzing
Dat wist ik niet en je afwijzing kwam me prima uit. Ik had me van mijn welwillende kant laten zien, zonder dat ik iets hoefde te doen. Je belde ook nog een keer huilend op ‘dat ik maar niet moest komen’, hoewel ik dat helemaal niet van plan was en liep te wandelen. Je klonk alsof we iets hadden afgesproken. Je belde ook nog op mijn verjaardag, maar ik was te laat om op te nemen en heb niet teruggebeld. Bewust niet; het initiatief om te bellen lag op mijn verjaardag niet bij mij, vond ik. Die formeel juiste afweging gaf aan hoe weinig ik begreep van je toestand. Dat was op 8 juni. Daarna ging het snel: vrijdag 20 juni, dus twaalf dagen later, ging je de hospice in, de dag waarop je de finale scanuitslag kreeg dat je overal uitzaaiingen had. Als ik rond mijn verjaardag had begrepen dat je stervende was, had ik je vast niet aan je lot overgelaten. Anderzijds is je lijden voorafgaand aan de hospice vrijwel aan me voorbij gegaan: lijden dat ik bij mijn verwekker wel heb meegemaakt. Als enige, terwijl ik vier halfbroers en twee halfzussen heb. Ik wilde het drietal zo hard mogelijk treffen en vond dat ik al genoeg mantelzorg had geleverd aan mijn vader. Ik wilde hun voor eens en voor altijd laten weten dat ik enig kind ben. Dat ik jou daarmee het hardst zou treffen, heb ik voor lief genomen. Het was immers nu of nooit meer. Je had nog maar kort te leven.
Boekpresentatie
Ik realiseer me nu dat er nog één moment was om op mijn schreden terug te keren, namelijk kort na mijn boekpresentatie, toen ik twee van mijn boekjes, zonder enig commentaar door je brievenbus gooide. Ik wist niet of Carine bij je zat; wilde alleen een keihard signaal afgeven dat is aangekomen. Ik had gewoon bij je moeten aanbellen en, gezellig of niet, bij je op bezoek moeten gaan, wat ik zo vaak had gedaan als ik in de buurt was, al was het maar na het boodschappen doen. Wie weet had ik je in die resterende maand nog een beetje kunnen troosten, steunen. Ik deed het niet en daarmee zal ik moeten leren leven.
Zielig hoopje mens
In die laatste twaalf dagen heeft volgens mij Charléne een keer en Robert twee keer een beroep op me gedaan om te komen. Robert heeft je één keer ‘een zielig hoopje mens’ genoemd en toch heb ik me niet laten vermurwen, hoe moeilijk ik het ook vond om weg te blijven. Ik zat vaak onrustig op de bank: ‘Zal ik wel, zal ik niet.’ Twee keer heb ik gezegd, zowel tegen Charléne als Robert: ‘Ik zal erover denken’, met als enig doel mijn komst zo lang mogelijk uit te stellen, en in de laatste week: ‘Ik pas mijn houding aan als de scanuitslag er is’. En dat heb ik gedaan. Op verzoek van Robert heb ik je opgevangen bij de hospice en de eerste nacht bij je geslapen. We hebben nog gepraat over je ex-leerlinge Janie Vermulm, van wie ik de volgende dag een foto op je nachtkastje heb gezet. Toen je per ziekenauto bij de hospice aankwam, begreep ik dat je nog maar een paar dagen te leven had: je had geen reserves meer, de kanker had je leeggevreten.
Geen afscheid genomen
Dat je ging sterven, mocht ik van Robert beslist niet laten blijken en zo heb ik ook geen afscheid van je kunnen nemen. Van Carine heb ik begrepen dat je de laatste twee dagen de trap niet meer op kon en dat jullie daarom beiden op de bankjes hebben geslapen. Comfortabel zal dat niet geweest zijn, zeker voor jou niet met je wrakke lijf. Eigen schuld, dikke bult, zou ik zeggen tegen de eendrachtige thuiszorg en trapliftweigeraar die je dochter is. ‘Thuiszorg is waardeloos, daar heb je niks aan’, was haar argument. Als manipulant en autodidact thuiszorgprofessional, wist Carine precies wat goed voor je was. Ze bevestigde daarmee haar almacht over jou, zoals je echtgenoot die 20 jaar lang had gehad. Dat ze daarbij ‘niet aardig’ voor je was; daar kwam je net te laat achter. En ik wist van niks. Mijn eigen schuld, waarmee ik moet leven, nu jij er niet meer bent. Jij nam me niets kwalijk; met geen woord heb je erover gerept dat je me gemist had op de avond dat ik je bij de hospice verwelkomde en je hand vastpakte. Het was goed zo. Ik weet inmiddels dat je, zeker in de laatste maand hebt gevraagd: ‘Waarom komt Tuur niet?’ en dat je je eenzaam voelde. Ook je kinderen hebben mijn afwezigheid tot aan de drempel van de hospice geregistreerd en niet alleen in de laatste twee weken. Ze vroegen me wat er mis was tussen jou en mij en op mijn antwoord: ‘Tussen mij en ma is niets mis’, vergaten ze mijn wegblijven op zichzelf te betrekken. Ik heb niet de indruk dat ze ten volle beseffen dat mijn houding in de laatste twee maanden voor je dood, feitelijk berust op een voornemen van kort na je baarmoederverwijdering, een klein jaar eerder.
Verantwoordelijkheid
Als ze hadden beseft dat mijn afwezigheid gepland was, zouden ze me in de hospice waarschijnlijk niet aangekeken hebben. Harde verwijten zijn tot nu toe uitgebleven, waarschijnlijk doordat ik in de hospice wel weer mijn verantwoordelijkheid heb genomen, net als in de afwikkeling van je nalatenschap, je financiën en het opruimen van je huisje. Ik speel mijn rol, zoals hij gespeeld moet worden.
Zelfbehoud
Nu weet je alles, mam. Het spijt me en tegelijk denk ik dat mijn afwezigheid in de periode dat je mantelzorg nodig had, een vorm van zelfbehoud is geweest. Mijn bovenbuurvrouw heeft dat zo genoemd die heel meelevend is, in tegenstelling tot mijn zogenaamde vrienden. Ik heb jou maar kort zien lijden en daarom zijn mijn laatste herinneringen aan jou vooral goed: dat we op je eerste avond in de hospice nog over Janie hebben gepraat en over je jaar als onderwijzeres in Moerkapelle, en dat ik nog een laatste borreltje en biertje bij je heb kunnen drinken. Mijn herinneringen aan het moeizame sterven van Bert zijn heel wat minder goed. Over zijn dood kan ik tot de dag van vandaag alleen maar opgelucht zijn.
Veel liefs,
Tuur